Onderzoekseenheid Literatuur en cultuur

Coördinator

Jan Baetens 

Voorstelling

De onderzoekseenheid wil zowel theoretisch als literair-historisch en empirisch onderzoek verrichten naar de profilering van literatuur en van de literatuurstudie binnen de context van een bredere cultuur. Meer concreet vertrekken wij van de volgende onderzoeksomschrijving:

Centraal in ons onderzoek voor de komende jaren staat de studie van literatuur via een samenspel van tekstuele en contextuele verschijnselen. Hoewel de groep in dit opzicht theoretische modellen wil uitwerken en een brede vraagstelling rond literatuur wil formuleren, spreekt het voor zich dat wij ook een grote aandacht zullen schenken aan de analyse van concrete casussen: diverse vormen van culturele en literaire ‘feiten’, diverse manifestaties van media, van institutionalisering, van teksttypes, van periodes en genres…

Concreet zullen wij focussen op enerzijds de relatie tussen literatuur en de concrete culturele context waarin die literatuur verschijnt, en anderzijds op de wijze waarop literatuurtheoretische concepten ontstaan en bruikbaar gemaakt kunnen worden voor de studie van uiteenlopende culturele fenomenen. Literatuur als cultuur, maar tegelijk ook omgekeerd cultuur als literatuur. Het corpus en het blikveld kunnen dan in principe breed zijn. Tegelijk is echter de focus niet in de eerste plaats historisch of sociologisch – wij doen niet aan wat gemeenzaam ‘cultuurgeschiedenis’ wordt genoemd -- maar gedacht vanuit de eigenheid van de literatuur en de literatuurstudie. Dat ‘culturele studies’ binnen deze onderzoekseenheid mee een essentiële component vormt, hoeft geen betoog, maar het is geenszins de bedoeling om de werkzaamheden van de eenheid daartoe te beperken.

Meer specifiek is het zinvol om onze oriëntatie te omschrijven als een aandacht voor literatuur als vertoog (discours) in de dubbele betekenis daarvan: literatuur als een eigen vertoog (met eigen prioriteiten, eigen organisatieprincipes, een eigen legitimering) én literatuur als een vertoog dat interageert met andere culturele en maatschappelijke vertogen (de zgn. interdiscursiviteit en intermedialiteit). De studie van literaire teksten komt hier duidelijk aan bod, maar wordt expliciet gethematiseerd in relatie tot andere corpora en tot een samenspel van culturele en maatschappelijke verschijnselen. Zowel diachrone als synchrone onderzoekslijnen zijn hierbij prioritair. De thema’s die centraal staan, zijn onder meer de volgende:

  • Hoe wordt literatuur gedefinieerd, via teksteigenschappen, via een bepaalde situering binnen de cultuur, via de toekenning van een specifieke functie, via types van mediatisering en institutionalisering?
  • Hoe legitimeert literatuur zichzelf (onder meer via poëticale constructies, netwerken, instituties), en hoe wordt die legitimering in een ruimere context beoordeeld? 
  • Hoe wordt bij die profilering omgegaan met de precaire relatie tussen autonomie en heteronomie?
  • Hoe verhouden specifieke teksten zich tot andere teksten, via een netwerk van invloeden, interteksten en generische verbanden? 
  • Wat is het ‘medium’ van de literatuur: communicatievormen en registers (taal, formele patronen en bepaalde idiomen), maar ook de cruciale inbreng van media en verschijningsvormen (literatuur en techniek, literatuur en beeld…)?
  • Hoe wordt de literatuur als systeem geconstrueerd? Welke relaties spelen daarbinnen een cruciale rol? Wat is het belang van canoniseringsprocessen en, omgekeerd, marginaliserings- en uitsluitingsstrategieën? (Ook de populaire genres en de doorwerking van klassiek erfgoed vormen hierbinnen prominente onderzoeksgebieden.)
  • Wat maakt de literaire dynamiek uit? Wat is literaire evolutie, hoe kan de relatie tussen innovatie en traditie (via behoud, via herschrijving, via herinterpretatie en her-ijking) nader bestudeerd worden? 
  • Hoe verhouden zich specifieke literaire praktijken, literatuuropvattingen en literatuurtheorie?
  • Wat maakt de ‘wetenschappelijkheid’ uit van de literatuurstudie; welke conceptualiseringprocessen spelen daarbij een vooraanstaande rol? Welke modellen worden gehanteerd om literatuur, als een dynamisch systeem, te analyseren en te bestuderen?

Uit deze omschrijving wordt duidelijk hoe het vertoog van de creatieve literatuur in deze onderzoekseenheid systematisch gekoppeld aan dat van de literaire kritiek en de essayistiek én aan de wijze waarop de theorievorming van de literatuurstudie gestalte krijgt (conceptualisering, ontlening van concepten, interactie met het literaire vertoog zelf, met politieke en ideologische vertogen…). Tegelijk is er een nadrukkelijke aandacht voor de ‘literaire’ opbouw van andere culturele fenomenen, en voor de wijze waarop zij de literatuur beïnvloeden en omgekeerd door de literatuur worden beïnvloed. 

Samenstelling

     ZAP   AAP
  BAP
K.U.Leuven   Jan Baetens
Rita Ghesquière (Bijz. em.)
Anneleen Masschelein
Frederik Truyen
  Marijke Malfroidt
Sara Roegiers
 

Mieke Bleyen
Ben De Bruyn
Sabine Hillen
Ann Kuppens
Heidi Peeters
Ulla Schroder (em.)
Steven Surdiacourt
Thomas Van Parys

Toneelhuis

       Erwin Jans    
Media en Design
Academie Genk
          Patricia Huion
Liesbeth Huybrechts
Thomas Laureyssens

Organigram

Projecten

  • Novellisatie in Vlaanderen 1950-2008 (FWO project; 2006-2009)
  • The Graphic Novel (FWO-aspirantschap; 2009-2013)
  • Post-surrealistische fotografie in België (OT-project; 2007-2011; in samenwerking met het Lieven Gevaert Centrum)
  • LACE (OOI-internationaliseringsproject; 2009-2011, i.s.m. Granada, Bologna, Lissabon en Groningen)
  • OLITH (FWO contactgroep; 2005-heden, o.l.v. Dirk de Geest (OE Nederlandse literatuur), i.s.m. Gent, Luik, Groningen en Wenen 

Contact

Coördinator:

Jan Baetens 

Secretariaat:

Secretariaat: Mia Hamels
Fac. Letteren
Blijde Inkomststraat 21
BE-3000 Leuven, Belgium
+32 (0)16 325041
fax: +32 (0)16 325068